Columns

Column: 70 jaar bevrijding

Op donderdag 9 april a.s. is het precies 70 jaar geleden dat ons dorp Schalkhaar werd bevrijd van de Duitse bezetters in de Tweede Wereldoorlog. Vanuit Park Braband en Brinkgreven trokken de geallieerden een dag later de dorpsgrenzen over naar Deventer om ook daar de ‘moffen’ te verjagen.

Herinneringen aan de oorlog in Schalkhaar zijn soms huiveringwekkend, maar over het algemeen kijkt de jeugd van toen terug op een avontuurlijke en zelfs romantische bezettingstijd. Ter gelegenheid van zestig jaar bevrijding tekende ik in 2005, samen met Herman Kogelman, Richard Schrijver, Herman Sonnenberg en Ben Kooiman, aangrijpende verhalen op voor ons boek ‘Omzien’.

Tien jaren later blader ik nog met trots door de 250 pagina’s van het naslagwerk waarvan toentertijd ruim 1000 exemplaren zijn verkocht. Prachtige verhalen, indrukwekkende foto’s en ontroerende, originele dagboekfragmenten. Veel dorpsgenoten die in ‘Omzien’ hun herinneringen deelden, zijn ons inmiddels ontvallen. Stukje bij beetje gaan zo herinneringen aan de oorlogstijd verloren. Eens moeten we misschien ook vergeten. Maar onze vrijheid moeten we koesteren.

Overal om ons heen wordt de komende week stil gestaan bij het feit dat Deventer e.o. 70 jaar geleden werd bevrijd. Met een lezing, een bijeenkomst, een gedenkdienst of een tentoonstelling. Maar in Schalkhaar blijven de foto’s, de documentatie en de herinneringen weggestopt in het dorpsarchief. Alsof men er niet meer naar wil omzien…

Column: Blind date, blinde liefde (Valentijnsdag)

Een mysterieus sms’je lokte mijPaperArtist_2013-09-28_20-50-18
naar deze tafel bij het raam.
Wel een datum, het tijdstip en de bedoeling,
maar ik weet niet eens je naam!

Zal hier vanavond dan toch eindelijk
mijn stille hunkering worden beloond?
Eindelijk weg van huisje, boompje, beestje,
waarin ik gaandeweg ben uitgewoond?

Ruim twintig jaren van blinde liefde
trekken in nog geen vijf kwartier voorbij.
Valentijn, je laat me wel lang wachten…
Krijg ik nog m’n gedachten op een rij?

Mijn lief, supermoeder voor mijn kindjes,
jíj bent bij ze thuis en ík hier; hoopvol in de kroeg.
Met een smoesje, omdat een onbekende dame
via mijn mobieltje aandacht van me vroeg…

Ik haat mezelf, ik egoïst!
Dacht, volwassen, dat ik wel beter wist…
De spanning, mijn verwarring: jij of zij?
Hé ober…, schenk mijn glas eens bij!

Dan eindelijk slaat de cafédeur open
en komt ze uitdagend voor me staan:
mijn éigen lief!! Wat een verrassing!
Ik weet zeker dat wij vérder gaan… 

Column: ‘Voetbal zonder geweld begint bij onszelf…’ 

Er is vandaag veel beroering ontstaan over het besluit van de KNVB om al het amateurvoetbal in Nederland voor komend weekeinde te schrappen. De bond wil daarmee een statement maken na de molestatie van een clubgrensrechter, als gevolg waarvan het slachtoffer, een vrijwilliger, afgelopen week is overleden.
‘Waardeloos besluit’, vinden velen. Door een algehele afgelasting gunt de voetbalbond alle amateurvoetballers juist een heerlijk vrij weekeinde, waarin ze niet hoeven na te denken over hun onsportieve gedrag op of langs het veld, is dan de opvatting. En met de algehele afgelasting ontneemt de KNVB jonge voetballers, die zich (nog) van geen kwaad bewust zijn, bovendien het plezier in hun favoriete spelletje. Waarom moeten de goeden onder de kwaden lijden, vragen velen zich af.
Wellicht had de KNVB er verstandiger aan gedaan om het voetballen gewoon door te laten gaan. Met daarbij in plaats van één minuut stilte, zoals die in het betaalde voetbal zal worden ingepast, een half uur – of misschien wel drie kwartier – ‘stilte’ voor de aftrap. Gewoon met zo’n veertig man, spelers, begeleiding en scheidsrechter, in de middencirkel. En het publiek, dat niet zelden aanstichter is van misstanden binnen de lijnen, daar dan in een grote kring weer omheen. Om elkaar gewoon eens recht in de ogen aan te kunnen kijken.
En om dan gelijk de nodige hypocrisie, huichelarij, van ‘ons’ af te schudden. Want zelf zijn we over het algemeen geen haar beter. Veel voetballiefhebbers die zich nu ineens hoogst verontwaardigd tonen over het excessieve gedrag van drie Amsterdamse straatschoffies, het onsportieve vlaggen van clubgrensrechters en/of het goedbedoelde statement van de KNVB, zouden na slechts die ene minuut stilte in de negentig minuten daarna waarschijnlijk gewoon weer rotschoppen uitdelen en respectloos zeiken tegen de scheids.
Als er komend weekeinde dan ook nog mag worden uitgeslapen en vervolgens een winterstop lang nachtvorstjes overheen gaan, weet straks in het voorjaar helemaal niemand meer wie ooit toch die Richard Nieuwenhuizen is geweest. De discussie over voetbalgeweld mag door één voetballoos weekeinde en vervolgens een kille winterstop niet ondersneeuwen! Nú is het moment aangebroken voor clubs, voetballers, kader en supporters – voor jóu! – om verantwoordelijkheid te pakken en elkaar voor na de winterstop écht beterschap te beloven…
Want, verdomme jongens, voetbal zonder geweld begint echt bij ‘onszelf’; daar is een statement van de KNVB niet voor nodig…

Column: Nieuw begin, maar nú al helemaal de weg kwijt…

Naast veel sms’jes met de allerbeste wensen (‘Ik ook van jullie…!’) ontving ik afgelopen oudejaarsnacht een paniekerig S.O.S.-signaal op mijn mobieltje; op weg om haar vader naar huis te brengen, was mijn liefste Linnepin – we hebben ons voorgenomen dit jaar weer van elkaar te gaan houden – rond 01.00 uur met onze auto gestrand in een berm in het mistige buitengebied van Schalkhaar. Het meisje zag geen hand voor ogen en was volledig de weg kwijt. Een recht-toe-recht-aan route van nog geen vier kilometer die ze normaal gesproken gemiddeld drie keer per dag, bij wijze van spreken, met de ogen dicht wegslikt, was door de dichte mist en vuurwerkrook geworden tot een spookrit zonder uitzicht. ‘Kom Lin’, probeerde ik nog in de hoop mijn egoïstische kroegplannen voor deze kansrijke nacht te redden. ‘Niet zeuren, mistlampjes aan en gassen…!’ Haar tranen dropen echter van mijn display. ‘Maar Rubro, wát hebben we ons, amper een uur geleden, nou voorgenomen?!’, kaatste ze met verwarde en overslaande stem. ‘Is goed, schat. Ik kom al…’, stelde ik gerust, terwijl ik woest de fiets greep en mijn bloedjes in verwarring bij hun oma, mijn lieve moeder, achter liet.
‘Godverdomme, wat een gezeik meteen alweer. Kan er bij ons – haar?! – nou nooit eens iets normaal gaan?!’, vroeg ik me tussen het rusteloze geknetter van het vuurwerk af. Mijn boosheid loste al gauw op in bezorgdheid. Na ruim dertig meter fietsen, vlak vóór de eerste bocht bij ons de straat uit, was ook ík het juiste spoor bijster; iets dat ik me eigenlijk pas voor later dit jaar had voorgenomen. Het begrip voor Linda en het verlangen naar een verdwaald weerzien groeide met elke voorzichtige pedaalslag die ik maakte. Hoe ver moest ik nog? Ik zag geen hand voor ogen. Geen stoeprand, geen straatverlichting, geen herkenning. In de verwarring van mijn eigen vertrouwde omgeving, trok het verleden als in een film aan me voorbij. Knipperende alarmlichten doemden angstig dichtbij op in de mist. Mensen liepen verdwaasd en tastend in het duister, als in een rouwstoet, voor hun eigen voertuig uit. Míjn enige houvast was de dichtstbijzijnde kalklijn op het midden van de weg. Ik waande me deelnemer aan de Elfstedentocht in ‘63, die ik in mijn angstige dromen nooit heb uitgereden. In de mist was ik, moederziel alleen, op zoek naar de zin van het leven. Mijn mobiel had geen bereik… Nog nooit had ik méér dan nu naar de warmte van mijn ware liefde verlangd.
Daar stond ik: Oudejaarsnacht, 01.42 uur. Genadeloos ingesloten door een ondoorzichtige laag wolkendek. Een nieuw begin, maar nú al helemaal de weg kwijt. Een eenzaam en radeloos hoopje mens, gedrenkt in denkbeeldig koude watten. In het pikkedonker werd ik deze nacht keihard geconfronteerd met mijn opdringerige verlangen naar het ‘alleen zijn’. Prrrrr, prrrrr. ‘Ja lief, met Lin. Bén je er al bijna?’ Maar ik wist het niet meer. Heb ik haar ook maar eerlijk gezegd. ‘Rustig maar, jongen’, zei ze met haar bewonderenswaardige geduld. ‘Sámen vinden we wel de juiste weg…’ Nog géén tien minuten later sloot ik haar in mijn armen; een vurige omhelzing, waaraan geen enkele digitale knuffel ooit zal kunnen tippen. ‘Gelukkig Nieuwjaar, schat’, stamelde ik. ‘Je bent een onmisbaar houvast in deze dolende fase van mijn leven…’

Column: Geestig
Vanavond een stukje gewandeld met Matthijs. Doen we wel vaker, m’n zoon en ik. Als mannen onder elkaar. Mooie momenten voor een goed gesprek waarbij we de gleufdieren uit ons huishouden ff niet nodig hebben. Warme jas aan. En onze laarzen. Want we banjeren – bij ons achter – het liefst over afgeschoren maïsakkers en door weilanden met hoog gras. In de zomer gaat meestal de verrekijker mee. Nu het ’s avonds al vroeg donker is uiteraard de zaklantaarn die ik eind 1990, na mijn militaire dienstplicht, aan de landmacht heb ontfutseld.

Matthijs schijnt met het ding tegen de kruinen van de pas geknotte wilgen. Op onze tochten leert hij mij – heerlijk – weer te fantaseren als achtjarige. ‘Weet je pappa…, misschien zit hier nu wel ergens die geest die maandag van Anoek’s kamer is weggejaagd!’ Matthijs schijnt, in afwachting van mijn reactie, zijn lantaarn geheimzinnig in mijn gezicht. ‘Huh?’, mompel ik in gedachten. ‘Ja, die geest die Anoek ’s nachts altijd wakker maakt…’ Ik kijk hem vragend aan. Zo hoor je nog eens wat… ‘Mama is maandag met Anoek bij een mevrouw in Nieuw Heeten geweest. En die heeft gezegd dat Anoek ’s nachts vaak wakker wordt door een geest die steeds op haar kamer komt om met haar te spelen. Die geest is van een vrouw die heel lang geleden is verdronken in het kanaal…’
Mijn oren flapperen aan mijn kop. De wind waait er guur om heen. In het schijnsel van de zaklantaarn flitsen vleermuisjes langs onze schouders. We zijn onderhand behoorlijk ten einde raad, mijn vrouw en ik. Dat wel. Bijna drie jaren lang, vol gebroken nachten door een wakker kindje. Maar dat Lin er zélfs een consult bij een zielenknijper aan zou wagen, daar schrik ik toch wel van. Het mensje in Nieuw Heeten had zonder twijfelen een plattegrond van ons huis getekend en feilloos aangegeven waar het bed van onze Anoekje staat! Ze beweerde dat Anoek zo vaak wakker wordt door de geest van de verdronken vrouw…
‘Ach, nee…’, probeerde ik nog bij Matthijs. Die mevrouw in Nieuw Heeten heeft gewoon mama gezien die dan ’s nachts op het kamertje komt als Anoek roept. ‘Mama, ziet er ’s nachts zonder make up namelijk ook wel ‘geestig’ uit….’ Maar nee, vanaf maandag zou alles anders worden had die mevrouw gezegd, beweerde Matthijs. De geest was verdreven. En Anoek, en dus ook papa en mama, zouden voortaan lekker kunnen slapen. En verdomd, sinds het consult (voor slecht € 20,-) slapen we al twee nachten achtereen ongehinderd door…

Column: Met de kerstballen de boom in…

Mijn kop staat dit jaar helemaal níet naar Kerstmis. Bah, geen zin meer om nog langer schijnheilig te doen. Dan de jas maar aan en liever moederziel alleen het bos in. De kraag omhoog, want gure tegenwind. De handen diep weggemoffeld in mijn zakken. Even afstand nemen van al die krampachtige en bedorven naastenliefde in de grote mensenwereld. Míjn moment van kerst. Tussen het ritselen van de struiken op zoek naar kabouters die als straal bezopen kerstmannetjes uitgeteld en onbezorgd onder hun paddestoelen liggen. Nauwelijks te onderscheiden van de eikels in mijn denkbeeldige
woud van verstrengelingen. De statige boomstammen reiken als kunstobjecten tot ver in de grauwe hemel en werpen hun afvallige takken als alles verwoestende kruisraketten op mijn dromerige kabouterwereld neer. Het respect voor andermans spullen is verdorie ook steeds verder te zoeken. Een paar stevige stappen later blokkeert een omvangrijke eik mijn eenzame wandeling. Is dát de natuurlijke verwezenlijking van de terroristische moslim in onze maatschappij? Maar, wacht. Met zijn – weliswaar kale – takken zoekt het schepsel toenadering tot de aanpalende beuk. De christen soms? Om straks in het voorjaar eindelijk eens gezamenlijk tot bloei te komen? Het zou ook op dat vlak – net als in Schalkhaar – toch eigenlijk niet meer moeten uitmaken of je nou met de hand of met de voet balt?! Een bocht. Oppassen voor dwarsliggende wortels. Niet struikelen. In de modder. In een rustiek vennetje hapt een betoverde kikker kwakend mijn zilte tranen om de uitzichtloze positie van het eerste elftal weg. Een afgeknotte boomstronk symboliseert mijn vertrouwen in de toekomst, dat de afgelopen maanden zonder pardon met de grond gelijk is gemaakt. Onder mijn voeten knispert het dikke bladerdek, gevernist met een heel dun laagje sneeuw. Een krachtige deken die de aardbol met man en macht nog behoedt voor de ultieme uitbarsting van wereldwijde ellende. Een open ruimte. De hardnekkig verstommende hoop dat
 dat éne stukje (kunst)gras aan de andere kant van het bospad veel groener zal zijn dan… Maar óók op die nieuwe bodem zullen de bloemen door een voortdurend tekort aan tuinmannen minder fleurig bloeien dan voorheen. De 60-jarige historie wordt niet rijker dan-ie is. Aan de rand van het bos houd ik aan en tuur ik over de weilanden naar mijn Schalkhaar: de Wijtenhorst, de Rielerenk. Een gemeenschap in de verte. De imposante kerktoren siert markant de skyline van míjn wortels. De kerk, de toren. Terwijl dáár een jurk op het altaar de onderlinge verdraagzaamheid staat op te prediken, schieten ranke eekhoorntjes voor mijn voeten juist schichtig weg voor andermans mening. Het bos. De bomen. Mijn rust. Eenmaal terug in de kille en verlaten straten van Schalkhaar – de werkelijkheid van alle dag – zie ik door al die schijnheilig opgesmukte en kunstmatig verlichte bomen écht het bos niet meer. Mistflarden spoken door de invallende duisternis van een angstaanjagend vredige kerstnacht. Ze vertroebelen mijn zicht. Daar! Ja, daar is de voordeur naar het geluk. Het geluk van een eenvoudige kerstmaaltijd in de warme vertrouwde omgeving van je naasten. Dáár vind je vrede, dáár is nog respect. En de rest van deze wereld kan wat mij betreft met de ballen – en de eekhoorntjes – de boom in. Een fijne kerst!

Column: De vrijheid herdacht, de vrijheid in acht…

Mijn moedertje is 76 nu; staat altijd voor ons en haar kleinkinderen klaar. Het mensje hoeft daar niets voor terug. En hoewel ik dan misschien zelf het imago van de ideale (schoon-)zoon met me mee tors: oma Tonnie is pas écht een toppertje. ‘Ben je gek, joh’, op Koninginnedag hoeft ze echt geen vlag, maar op 4 mei kijkt ze me steevast met een schuin oog aan: ‘Jongen, mag de driekleur aan de gevel? Halfstok graag.’ Stipt om 19.30 uur staat het huishoudtrapje klaar en ligt het rood/wit/blauw gekleurde doek naadloos gestreken op de vierde trede in haar trapgat.
Een jaar of vier moet ze geweest zijn, toen ‘de moffen’ met hun materieel ratelend het erf van haar vader, een simpele klompenmaker, oprolden. En bijna tien op het moment dat diezelfde Germaanse herrieschoppers er door ‘de Tommies’ net zo hard weer werden afgekickt. Een kind dus, oma. Overgeleverd aan de grillen van die tijd.
Toch klinken haar herinneringen aan de oorlog vooral als verhalen uit een spannend jongensboek: ondeugende avonturen, overgoten met kruitdampen van romantiek. Indrukwekkende én soms huiveringwekkende ervaringen zoals ik die in 2005, in het kader van 60 jaar bevrijding, ook van haar bejaarde tijdgenoten mocht optekenen tijdens de voorbereidingen op het herinneringsboek ‘Omzien’.
Steeds als ik op 4 mei met knikkende knieën dat gammele keukentrapje van mijn oude moeder bestijg en de vlaggenstok voorzichtig in zijn houder steek, denk ik: ‘Het is mooi geweest, nu. Dit is de laatste keer! Ik verrek het om ieder jaar weer twee minuten stil te staan bij wat er meer dan 70 jaren geleden flink is mis gegaan.’ Eéns moet die rotte geschiedenis, die akelige herinnering, toch vervagen? ‘Dank je, jongen’, meent oma Tonnie statig, met een trotse glimlach in haar geplooide gelaat. ‘Maar ma, …’ ‘Laat me nou, jongen…’
Om 22.30 uur die avond sta ik voor de tweede maal wankelend op het keukentrapje. Behalve aan gesneuvelde soldaten hebben we uiteindelijk veel langer dan twee minuten vol respect ook nagedacht over de gevallenen, vrijheid en opa Piet, mijn vader, die in 2005 is overleden. Sprakeloos hijs ik, alvast voor morgen, de driekleur trots in top. Wie ben ik ook, om mijn hulpvaardige moeder – en al haar tijdgenoten – het gevoel te ontnemen dat ongetwijfeld vele malen mijn eigen intense behoefte aan vrijheid overtreft?!

Column: Kom maar naar beneden…
Ik snap er helemaal niets van! We zijn met z’n allen nog maar amper de grasmat op voor een nieuw voetbal- seizoen en de dramatische roep om vrijwilligers galmt al weer tussen de frisgewassen reclameborden op het sportcomplex. ‘t Kan zijn dat ik het niet helemaal zuiver heb gehoord, maar het leek zelfs even of de huilerige echo van de nooit aflatende schreeuw om enthousiaste medewerkers afgelopen weekeinde zelfs het theater spektakel ‘De Fan’ overstemde. Mooi hoor, honderden mensen bijeen op een gammele tribune. Sommige zelfs overdekt. Lekker voor de kassa die getalletjes aantikt voor de verhuizing, maar verder schieten we er geen enkele bal mee op. Van die vertrouwde gezichten wil ik niks zeggen; die hadden het recht er te zitten. Om te genieten van spektakel op de Wijtenhorst. Maar de overgrote meerderheid had er he-le-maal níets te zoeken. Ik had ze wel van die tribune willen trekken, de slapjanussen. Kom weg van je theatrale zitplaats en vul liever de lege plekken in het kantinerooster, meld je aan als leider of trainer voor één van die vele jeugdteams die nog zonder zijn! Bel voor een plekje in de schoonmaak- en/of schoffelploeg! Kom wedstrijden fluiten, neem de vlag ter hand! Er is nog genoeg te doen bij SV Schalkhaar. Ik had die microfoon van de ceremoniemeester wel willen grijpen om ze één voor één naar beneden te roepen, zoals Hans Kazan ooit deed. U daar links, ja met dat rode truitje. Komt u maarrrrrrr! Eén keer in de twee maanden een avond achter de bar? Nee?! Nou, dan oprottenmaarrrrrrrrr!!!!! En neem dan gelijk je voetballende kind maar mee en dump dat bij een andere vereniging! Ga je daar maar lekker niks zitten doen! En dat alles vol in de spotlights van dat geënsceneerde veld. Zoals de Romeinen zoveel eeu– wen geleden hún drop-outs stenig- den. Vorig jaar is zelfs, na een schier eindeloze zoektocht, een tweetal vrijwilligers ingeschakeld om vrijwilligersbeleid te maken. Te zot voor woorden, toch? Dat moet helemaal niet nodig zijn! Vrij-wil-lig-gers-be– leid.’t Woord staat niet eens in de Dikke van Dale! Waar is dan onze gezamenlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid? De spontane inzet van: ‘wij staan met z’n allen voor onze vereniging’. We startten dit jaar met 32 jeugdteams. Zo’n 350 jeugdige voetballers. Dat zijn – gescheiden of niet – 700 ouders. En dan heb ik alle aanverwanten van de seniorenteams niet eens genoemd. Zet ze allemaal om de beurt een avond achter de bar in het clubhuis. Dan sta je één avond per twee en half jaar. Is dat dan te veel gevraagd. Heb je die paar uurtjes niet over voor de club? Nee?! Kom dan maar naar beneden. En oprotten, maarrrrr

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s